Economische analyse van fiscaal recht

De optimale afschaffing van de directe belastingen

Inleiding

Economische analyse van recht heeft mij altijd geboeid omdat het een mechanische analyse geeft van de vigerende rechtsregels. Recht is niet langer een onsamenhangend geheel van abstracte regels, maar dankzij de economische analyse verwerft men inzicht in juridische mechanismen. Men kan aantonen hoe onze wetten en normen als een haarfijn raderwerk op mekaar inspelen. Zeker wat de fiscaliteit betreft is het niet onbelangrijk inzichten te verwerven in de economische consequenties van de fiscale bepalingen die uitgevaardigd worden.

Directe belastingen smoren het economisch leven en verstoren de optimale werking van de vrije markt. De afschaffing ervan is economisch verantwoord op voorwaarde dat de staat zijn broodnodige inkomsten verwerft via de heffing van indirecte belastingen. Het hoe en het waarom wordt hierna in korte bewoordingen uiteengezet.

I. Definitie belasting

Een belasting is een verplichte bijdrage opgelegd door de overheid aan de belastingplichtige teneinde de uitgaven en diensten van algemeen nut te financieren.

Een belasting wordt verplichtend opgelegd om het zogenaamd free rider probleem te omzeilen. Wie anders zou zijn belasting vrijwillig betalen ?

Nog vanuit de economische analyse van recht moet aangestipt worden dat het louter juridisch onderscheid tussen belasting en RSZ, sociale bijdragen, geen steek houdt. Sociale bijdragen vormen vanuit economisch oogpunt ook een belasting. Om de globale belastingdruk te berekenen moet men dus ook rekening houden met de sociale bijdragen.

Al deze heffingen worden overigens ingevoerd om het algemeen belang te dienen. Daaromtrent heerst een maatschappelijke consensus. Maar, wordt deze doelstelling bereikt; en, zo ja, kan men dit niet op een efficiëntere manier ?

Wordt men niet overstelpt met jammerklachten dat de torenhoge belastingdruk de economische activiteit smoort; arbeid vernietigt en werkloosheid creërt ? Welke oplossingen kan men aangrijpen ?

Het is onze taak één en ander verder te analyseren.

II. Doel

In het algemeen belang vindt men een waaier aan doelstellingen terug die de heffing van de belastingen moeten verantwoorden; nl. de overheidsuitgaven financieren, zorgen voor een rechtvaardige herverdeling van het inkomen, een optimale allocatie van de productie factoren bewerkstelligen en bijdragen in de monetaire stabiliteit.

  1. Het is duidelijk dat belastingen geheven worden teneinde de overheidsuitgaven te financieren. De nationale staat heeft een aantal taken die geld kosten. Daarbij is het belangrijk dat deze heffing gebeurt tegen zo laag mogelijke kosten. Hiermee wordt bedoeld de controlekosten en de kosten van inning en invordering.
  2. Bovendien, zo heet het in de maatschappelijke consensus, draagt de heffing van de belasting bij tot herverdeling van de inkomens en zulks op een horizontale en verticale rechtvaardige wijze, onder de gevleugelde bewoordingen dat de sterkste schouders de zwaarste lasten zouden dragen.
  3. Een efficiënte belasting zou eveneens de optimale allocatie van de produktiefactoren bevorderen of op zijn minst de allocatie zo min mogelijk verstoren. Er treden nochtans distorsies op. Zo wordt een ondernemer in ons huidig fiscaal stelsel gestimuleerd om een beroep te doen op vreemd kapitaal i.p.v. eigen geldmiddelen. Hetgeen het ondernemingsrisico aanzienlijk verhoogt.

    Voorbeeld :
    Een ondernemer wordt fiscaal gestraft wanneer hij zijn vennootschap een rentegevend voorschot toestaat via rekening-courant. De betaalde intresten op een lening aangegaan bij een bank zijn steeds fiscaal aftrekbaar, terwijl de intresten op voorschotten toegestaan aan de eigen vennootschap aan bepaalde grenzen onderworpen zijn, zeker wat de hoogte van de intrestvoet als het bedrag van het ontleende kapitaal betreft.

    Binnen deze grenzen wordt alleen roerende voorheffing geheven op de intrest.

    Eens deze grenzen overschreden zijn, wordt de uitgekeerde intrest belast als een dividend. Dit betekent dat de uitbetaalde interest als een element van de winst in de vennootschapsbelasting wordt opgenomen en is er nog altijd roerende voorheffing op verschuldigd. Dit betekent een beduidend zwaardere belasting.

  4. Tot slot zou de fiscale wetgeving moeten bijdragen bij de monetaire stabiliteit. Denk hierbij maar aan het beleid rond de sterke frank.
  5. Besluit : De fiscaliteit in het algemeen is een uitstekend instrument om de welvaart en het welzijn van een samenleving te beïnvloeden. Voorbeelden hiervan zijn legio, o.a. stimulering van de woningbouw via aftrekposten voor de eigen gezinswoning. Ook wordt de vraag naar en het aanbod van arbeid beïnvloed, denk maar aan het jongerenbanenplan met de verlaagde sociale bijdrage. Omvang en samenstelling van produktie en verbruik kunnen gestuurd worden, bepaalde heffingen kunnen het gebruik van sommige goederen afremmen, denk maar aan de ecotaksen. Hetzelfde geldt voor de besparingen en investeringen van de bevolking.

III. Beginselen van belastingheffing

We onderscheiden drie beginselen bij de heffing van de belasting nl. het profijtbeginsel, het draagkrachtbeginsel, waarrond dus de maatschappelijke consensus gegroeid is en het sociaal welvaartsbeginsel.

  1. Het profijtbeginsel

    Overeenkomstig het profijtbeginsel moet men bijdragen tot de belastingheffing in verhouding met het voordeel dat men van de overheidsuitgaven geniet. De belastingheffing geschiedt als het ware naar analogie met de marktprijzen. Publieke goederen worden aan marktprijzen gewaardeerd. Voorbeelden hiervan zijn de zogenaamde retributies. Het betreft tolgelden op autowegen ; ons algemeen bekend, kijk- en luistergeld en de verhaalbelastingen op onroerend goed. Kosten van wegeniswerken worden meestal verhaald op de eigenaars van de aanpalende percelen.

  2. Het draagkrachtbeginsel

    De heffing van belasting op grond van het draagkracht-beginsel steunt op het idee van de billijkheid en is historisch gegroeid vanuit de Franse Revolutie toen de gedachte van de gelijkheid van alle burgers ingang vond. De belastingplicht staat in verhouding met de economische draagkracht of betaalkracht van de belastingplichtige. Hoe meer men verdient, hoe meer belastingen men betaalt. De progressieve schalen van de inkomstenbelasting steunen op het zogenaamd dalend grensnut van het inkomen.

  3. Het sociaal welvaartsbeginsel

    Via de belastigen worden de overheidsuitgaven gefinancierd waarvan verwacht wordt dat ze tegelijk de sociale welvaart en het algemeen welzijn bevorderen.

IV. Soorten belastingen

Alvorens na te gaan of de hiervoren opgesomde doelstellingen worden bereikt, staan we nog even stil bij het onderscheid dat gemaakt wordt tussen directe en indirecte belastingen.

Directe belastingen worden periodiek geheven op inkomens en vermogens. Voorbeelden : de personenbelasting, de vennootschapsbelasting, de sociale bijdragen.

In België kent men echter geen vermogensbelasting, tenzij de successierechten.

Indirecte belastingen worden geheven naar aanleiding van diverse transacties die resulteren in het verbruik of de overdracht van goederen en diensten. Voorbeelden : B.T.W. en accijnzen.

In een land als België, waar de ontvangsten van de staat mogen geraamd worden op 3.200 miljard fr., vertegenwoordigen de ontvangsten van de directe belastingen (inclusief R.S.Z.) drievierden, hetzij ongeveer 2.400 miljard fr. ; terwijl de indirecte belastingen goed zijn voor 800 miljard fr.

Wat verklaart nu het maatschappelijk succes van de directe belastingen ?

Vanuit de heersende maatschappelijke consensus wordt aangenomen dat de directe belastingen meer herverdelend zouden werken, omdat de progressieve aanslagvoeten de begoede klasse meer in de beugel zouden treffen. Deze opvatting groeide uit de historische gelijkheidsgedachte van de Franse Revolutie. De voorstanders zien de directe belasting als de hefboom van het herverdelings-mechanisme op maatschappelijk vlak van het inkomen. De inkomstenbelasting wordt bekleedt met een aura van sociale rechtvaardigheid.

Ten tweede gaat men van de veronderstelling uit dat directe belastingen de allocatie van de produktiefaktoren minder zou treffen aangezien zij minder op de prijszetting zou wegen in vergelijking met de indirecte belastingen, waar bv. de overheid door middel van de invoering van hoge accijnzen op alcohol en tabak rechtstreeks het verbruik probeert te temperen. Vanuit die optiek is men de mening toegedaan directe belastingen ook de concurrentieverhoudingen tussen ondernemingen minder verstoren. Daarom ook werden de BTW-tarieven in de Europese Unie geharmoniseerd, terwijl de lidstaten de bevoegdheid behouden om de hoogte van de winstbelasting te bepalen.

Beide stellingen zijn vatbaar voor kritiek.

Daar waar indirecte belastingen (zoals de B.T.W.) beschouwd worden als onrechtvaardig, want lineair ; verliest men uit het oog dat er een sociale correctie bestaat op deze vaste aanslagvoeten. Levensmiddelen kunnen vrijgesteld, of zelfs zeer laag belast worden; terwijl luxe goederen een aanslagvoet van 100% (of meer) kunnen ondergaan.

Anderzijds is het nochtans duidelijk dat ook de winstbelasting een economisch effect heeft en de produktiefactoren diep raakt. Een ondernemer zal zich liever vestigen in een land met een lage belastingdruk van bv. 20 %, i.p.v. in een land met een hoge belastingdruk bv. 40 of 45 %.

Opmerking :

Hoewel in de literatuur onderscheid gemaakt wordt tussen directe en indirecte belastingen, nl. de respectievelijke heffing op inkomens en economische transacties, moet aangestipt worden dat de verwerving van een inkomen evenzeer gepaard gaat met het stellen van economische transacties. Arbeidskracht wordt verkocht op de arbeidsmarkt.

Het kunstmatig ingevoerde onderscheid vervaagt. Directe belastingen vormen een belasting op deze transactie en zullen belangrijke economische gevolgen hebben voor de werking van de arbeidsmarkt. We zullen dit aspect verder bespreken bij de afwentelingsmechanismen die optreden wanneer de belastingplichtige de belastingdruk die hij ondergaat probeert te verschuiven.

V. Het fenomeen “belastingillusie”

België kent een hele technische opsomming van diverse soorten heffingen. We hebben het al gehad over de sociale bijdragen die bovendien nog eens opgedeeld worden in werkgevers- en werknemersbijdrage, de personenbelasting en de vennootschapsbelasting, BTW, zegelrechten, registratierechten, invoerrechten, verkeersbelasting, accijnzen en belastingen op spelen en weddenschappen die allen bijdragen in de rijksmiddelen. De reeks wordt afgesloten met nog een tros locale belastingen die door de gemeenten, de gemeenschappen of de gewesten worden geïnd. Op die manier komt ment in België tot een globale belastingdruk van ruim 45 % !

De overheid heeft haar belastingen in verschillende schuifjes onderverdeeld omdat ze diverse objectieven nastreeft en elke afzonderlijke belasting zou naar verluidt onvoldoende om zo’n doelstelling te bereiken. Bovendien zou één soort belasting nogal gemakkelijk te omzeilen zijn en zorgt de spreiding van de belasting ervoor dat de kans groter wordt dat iedereen zijn stuk bijdraagt. De spreiding van de belasting laat eveneens toe de aanslagvoeten laag te houden. De spreiding van de belasting vermijdt fraude, kapitaalvlucht en belastingontwijking, maar resulteert in een zeer complexe fiscale wetgeving.

Maar, dit alles resulteert in wat genoemd wordt “belastingillusie” ; nl. de stelselmatige onderschatting van de werkelijke omvang van de belastingdruk.

De belastingillusie ontstaat ondermeer ingevolge de ingewikkelde belastingwetgeving en de gebrekkige kennis die de bevolking daaromtrent heeft. Gelet op de constante wijzigingen van deze wetgeving moet de belastingplichtige aanzienlijke informatiekosten maken om zich daaromtrent volkomen in de lichten. De belastingsillusie wordt mede in de hand gewerkt door de spreiding van de tarieven en versterkt door afhoudingen aan de bron bij loon- en weddetrekkenden, ik denk hierbij vooral aan de bedrijfsvoorheffing en de sociale bijdragen.

Voorbeeld :

Op elke 1.000 fr. van het brutoloon worden al ongeveer 33 % patronale bijdragen en 12 % werknemersbijdragen betaald. Dit brengt de loonkost op 1.450 fr. Op het brutobelastbaar inkomen van 1.000 fr. wordt de bedrijfsvoorheffing afgehouden. Voor wie het twijfelachtige geluk heeft om belast te worden aan de hoogste tarieven van 55 % in de PB, kan men zeggen dat die nog eens 550 fr. afdraagt aan de staat. De desbetreffende persoon krijgt 450 fr. netto op zijn bankrekening gestort. Dit is het beschikbaar inkomen dat kan aangewend worden voor zijn consumptie. Maar op de aangekochte consumptiegoederen wordt in ons voorbeeld nogmaals 21 % BTW (ongeacht de eventuele accijnen) zodanig dat de prijs van de consumptiegoederen 372 fr. bedraagt. 1.078 fr. wordt geïnd door de Staat. Een verpletterende vaststelling, zeker als men weet dat in de prijs van de aangekochte consumptiegoederen nog eens de loonkost van de desbetreffende produktie vervat zit.

Sceptici zullen natuurlijk aanvoeren dat dit voorbeeld een vertekend beeld geeft ; want dat het enkel opgaat voor de enkelingen die inkomsten genieten boven 2.200.000 fr. per jaar en dus geen rekening houdt met het feit dat het verschil tussen loonkost en besteedbaar inkomer kleiner wordt naarmate het inkomen daalt.

Deze stelling is natuurlijk onbetwistbaar juist, maar ik heb bewust voor dit voorbeeld gekozen. Niet alleen omdat het de loodzware belastingdruk in een schril perspectief plaatst, maar vooral omdat ik hiermee desastreuze invloed op de arbeidsmotivatie en op het ondernemersinitiatief wil aantonen.

De afhoudingen aan de bron camoufleren de werkelijke fiscale aanslag. Loon- en weddetrekkenden ontvangen enkel het netto-loon, zonder dat zij de globale belastingdruk aan den lijve ondervinden.

Dit is anders bij zelfstandigen, die hun volledige omzet (incl. belastingen) incasseren, waarna de ontvangen gelden moeten afgedragen worden aan de staat.

Dit betekent mijn inziens een discriminatie tussen loontrekkenden en zelfstandigen aangezien deze laatsten door te spelen met hun bedrijfslasten hun belastbaar inkomen kunnen beïnvloeden. Een loontrekkende heeft deze mogelijkheid niet.

De belastingillusie onder de loontrekkenden ontzenuwt bovendien massaal het verzet tegen de belastingheffing. Men eist een hoger loon van de werkgever in de plaats van lagere belastingen.

Bovendien wordt men in de strijd tegen de hoogte van de belasting nogmaals geconfronteerd met het probleem van het “free ridership”. De bevolking zal zelden of nooit kunnen gemobiliseerd worden om de globale belastingdruk te bestrijden, terwijl specifieke fiscale maatregelen wel het voorwerp uitmaken van lobbywerk. Eén en ander kan verklaard worden omdat de inspanningen om de globale belastingdruk te verminderen enorm zijn en de baten minimaal, terwijl in verhouding de strijd tegen een specifieke fiscale maatregel minimaal is en de baten maximaal, tenminste als men slaagt in zijn opzet.

De opheffing van inhouding aan de bron van bedrijfsvoorheffing en R.S.Z. kan deze protest incentive verschuiven. Tegelijk zou een discriminatie opgeheven worden, maar zulks gaat gepaard met een enorme toename van controlekosten en invorderings- en inningskosten ten laste van de staat.

Tot nog toe hebben we gezien dat de globale belastingdruk dient om de overheidsuitgaven te financieren. Maar het probleem stelt zich of men ook daadwerkelijk deze fiscale ontvangsten kan innen. De Laffer-curve berekent het verband tussen de globale belastingdruk en de fiscale ontvangsten.

In het nulpunt is er geen overheid en dus geen fiscaliteit. Wanneer men 100 % belastingen heft, valt de economische bedrijvigheid volledig stil en verdwijnt de belastbare grondslag. Tussen beide bestaat een kritische zone binnen dewelke maximale fiscale ontvangsten gerealiseerd worden. Dit stemt overeen met de belastingdruk C. Vóór C stijgen de fiscale ontvangsten ingeval van toename van de belastingdruk, voorbij C dalen de fiscale ontvangsten bij verdere stijging van de belastingdruk. Het is een belangrijk gegeven voor de economische en financiële politiek van een land. Bij hoge belastingdruk resulteert een belastingverlaging immers in een toename van de economische bedrijvigheid en derhalve in een toename van de fiscale ontvangsten.

We kunnen vermoeden dat België thans het punt C overschreden heeft. Reeds jaren klaagt de regering over tegenvallende fiscale ontvangsten en teruglopende economische groei. Het is dus hoog tijd dat er ingegrepen wordt aan de zijde van de uitgaven, dan weer extra inkomsten te gaan zoeken. Stijgende belastingen zullen thans stelselmatig resulteren in dalende ontvangsten.

Bovendien stellen we een vermindering vast van de buitenlandse investeringen in België, terwijl onze buurlanden net een toename van deze investeringen kunnen noteren. De hoge belastingdruk vormt eveneens een handicap voor de concurrentiepositie.

Nochtans is de bepaling van de zgn. optimale belastingdruk een politiek gegeven. Vanuit de economische analyse van recht kan men slechts implicaties berekenen, m.a.w. de economie kan de politiek niet dicteren want de optimale belastingdruk komt tot stand via democratische politieke besluitvorming.

VI. Reacties op de belastingheffing en de verhoogde belastingdruk

Belastingplichtigen kunnen op vijf manieren reageren.

  1. Ofwel betalen ze vrijwillig hun belasting, maar aangezien dit een zeldzaam fenomeen is, werd de betaling van de belasting verplicht gesteld.
  2. Om hieraan te ontkomen kan een belastingplichtige kiezen voor ontduiking of fraude. Middels vervalste aangiften kan hij zijn inkomsten verdoezelen of middels valse facturen kan hij zijn bedrijfslasten optrekken. De ontduiking en de fraude kan bestreden worden door de pakkans en de boete te vergroten. Hoge tarieven invoeren zijn echter ook fraudegevoelig, denk maar aan het fenomeen van het zwartwerk, gestimuleerd door de hoge loonkost.
  3. Op een meer legale manier kan de belastingplichtige kiezen voor ontwijking. Hij ontwijkt de verschuldigde belasting door een niet fiscale weg te bewandelen. Deze keuzemogelijkheid wordt door de overheid ook bestreden door de invoering van de economische werkelijkheid die de gevestigde Brepols-doctrine afbouwt.
  4. Hoge belastingen stellen een specifiek probleem van opportunity cost. De belastingplichtige ziet zich geconfronteerd met substitutie-effecten en door de hoge belasting op zijn inkomen ondergaat hij een nutsverlies. Dit beïnvloedt zijn bereidheid om te arbeiden. Een belastingplichtige kan het nutsverlies, het inkomensverlies, compenseren door ofwel meer te werken, dit is positieve compensatie, ofwel door meer vrije tijd te nemen en dit noemt men negatieve compensatie. Vrije tijd wordt eigenlijk goedkoper door de gestegen belastingdruk. Men dacht dat de positieve compensatie het grootst zou zijn bij de lage inkomens die meer zouden gaan werken, terwijl de negatieve compensatie het grootst zou zijn bij hoge inkomens waar men meer vrije tijd zou nemen. Empirisch onderzoek heeft uitgewezen dat deze vermoedens niet bevestigd worden. De positieve en negatieve compensatie valt kleiner uit dan verwacht. Een plausibele verklaring hiervoor is dat bij arbeiders evenzeer de aspiratie leeft naar vrije tijd, als het verlangen naar hogere inkomensstandaard. Ook die mensen willen van cultuur genieten en de nodige tijd spenderen aan de opvoeding van de kinderen en aan hun gezin.

    Ook de hogere klasse handhaaft haar arbeidsinspanning ondanks de gestegen belastingdruk en kan hiervoor gemotiveerd worden door het sociaal aanzien, het plichtsbesef, de persoonlijke voldoening die men heeft uit het verrichten van de arbeid en de eventuele financiële verbintenissen die men heeft aangegaan.

    Die fenomenen worden hoofdzakelijk waargenomen voor de alleenverdieners. Empirisch onderzoek bij gezinnen met twee verdieners heeft uitgewezen dat de substitutie-effecten veel groter zijn voor een tweede inkomenstrekker. Het substitutie-effect domineert.

    Men kan dus voorspellen dat bij een verhoging van de belastingdruk de tweede verdiener meer zal geneigd zijn om thuis te blijven, in zijn voornemen nog versterkt door maatregelen als loopbaanonderbreking. Een verlaging van de belastingdruk zal resulteren in een verhoging van het arbeidsaanbod.

  5. In een laatste reactie kan de belastingplichtige proberen om de hoge belastingdruk af te wentelen. Belastingafwenteling is de verplaatsing van de belastingdruk van de oorspronkelijke betaler op anderen. De mechanismen die de betroffen belastingplichtige kan aanwenden zijn wijzigingen in zijn prijs en veranderingen in zijn winstmarge. De oorzaak van deze belastingafwenteling moet gezocht worden in het feit dat bij verhoging van de belasting het beschikbaar inkomen daalt. De belastingplichtige heeft de neiging om de hoogte van zijn beschikbaar inkomen van vóór de belastingstijging te handhaven. Gevolg : hij zal proberen de belastingdruk te verplaatsen op anderen die een definitieve daling van hun reëel inkomen zullen ondergaan wanneer zij de afgewentelde belastingdruk niet kunnen doorschuiven.

Systemen :

  1. Men kent voortwenteling van een verder naar een dichter bij de consument liggend stadium. De belasting wordt integraal doorgerekend in de prijs van de producent aan de consument.
  2. Een tweede systeem is de terugwenteling. Hierbij gaat men in omgekeerde richting te werk. De producent trekt de belasting af van de inkoopprijs die hij aan zijn leverancier betaalt.

Het mechanisme van de afwenteling doorprikt het onderscheid tussen directe en indirecte belastingen. De inkomensbelasting wordt net zo goed doorgerekend in de verkoopprijs, want het vormt een element van de kostprijs. Op die manier wordt het prijspeil dus ook beïnvloed door het niveau van de inkomensbelasting.

De consument betaalt dus het gelag van al deze belastingen in plaats dat de sterkste schouders de zwaarste lasten dragen. We kunnen dus stellen dat de inkomstenbelasting sociaal onrechtvaardig is in plaats van sociaal rechtvaardig zoals algemeen aangenomen, want de inkomstenbelasting bevordert de ongelijkheid in plaats van horizontale en verticale rechtvaardigheid. Hier stuiten we dus op de historische vergissing, nl. dat de inkomstenbelasting geenzins de gelijkheid in de maatschappij bewerkstelligt. Deze sociale ongelijkheid situeert zich immers op het vlak van de afwentelingsmogelijkheden waarover men kan beschikken.

Bekijken we even de afwentelingsmogelijkheden van de zelfstandigen of de werknemers, loontrekkenden of ambtenaren in de personenbelasting.

Zelfstandigen kunnen de inkomensderving van de verhoogde belastingdruk doorrekenen in hun verkoopprijs. Zij kunnen hun netto-inkomen constant houden door zich meer te laten betalen.

Loontrekkers daarentegen zijn gebonden door arbeidsovereenkomsten en CAO’s en zij bevinden zich in een nadelige positie. Zij kunnen de verhoogde belastingdruk slechts moeizaam afwentelen op hun werkgever. Zulks is voor hen slechts mogelijk door een staking uit te lokken en in een sociaal conflict een nieuwe arbeidsovereenkomst of CAO te negociëren. De afwenteling gaat hier gepaard met enorme onderhandelingskosten.

Door deze terugwenteling zal de loonkost stijgen, hetgeen de producent zal doorrekenen in de verkoopprijs aan de consument. De loonkost vormt immers een element van de kostprijs van de consumptiegoederen. Enkel wanneer ten gevolge van de afwenteling een algemene prijsstijging ontstaat, is de loontrekker dus ook onderhevig aan een zekere verhoogde belastingdruk. Alleen wanneer de koopkracht via indexering constant blijft wordt geen belasting gedragen, maar zulks resulteert in een uitholling van het inkomen door de inflatiespiraal die in gang wordt gezet.

Een verhoging van indirecte belastingen, BTW of accijnzen wordt onmiddellijk op de consumptie verhaald. Hoewel de BTW ontegensprekelijk een factor is van het algemeen prijspeil, blijft hij voor de producent economisch neutraal, omdat de BTW geen deel uitmaakt van de kostprijs van het produkt, terwijl de inkomstenbelasting via het afwentelingsmechanisme deel uitmaakt van de loonkost die doorgerekend wordt in de kostprijs van de consumptiegoederen. Hier stuiten we alweer op een vergissing.

Maar, lokt de heffing van indirecte belastingen dan geen analoge reacties uit ?

Eigenlijk niet. Fiscalisten zijn het erover eens dat indirecte belastingen grotendeels vrijwillig betaald worden telkens men iets consumeert. Wie geen belasting wil betalen moet zich dan maar onthouden van consumptie. Indirecte belastingen zullen dus de nationale spaarcurve bevorderen. Bovendien is een indirecte belasting veel minder fraude gevoelig dan een directe belasting. Compensatie en afwenteling kan trouwens niet bij een indirecte belasting.

VII. Een optimale belasting

Een optimale belasting is een neutrale belasting. De neutraliteit van de belasting eist dat de heffing en de inning ervan geen invloed uitoefenen op de economische beslissingen van de belastingbetalers.

We hebben gezien dat de verhoging van de inkomstenbelasting nogal wat reacties teweeg brengt, gaande van ontduiking en ontwijking over compensatie en substitutie-effecten naar de hiervoeren besproken afwenteling. We kunnen dus niet zeggen dat zulks een optimaal belastingsstelsel is. Immers de inkomensbelasting bestraft degene die werkt, remt de creatie van welvaart en roomt de opbrengsten van de spaargelden af via roerende voorheffing en eventuele successierechten.

Vindingrijke ondernemers investeren ook niet meer in België, maar wijken massaal uit naar het buitenland. De uitvlagging van onze economie is volop aan de gang op grote schaal. Beaulieu investeert in Duinkerke en Sabena wordt aan Swissair verkocht. Renault-Vilvoorde sluit.

De kritiek op de inkomstenbelasting kan als volgt samengevat worden :

De belasting volgens financiële draagkracht is een illusie gebleken o.a. wegens de mogelijkheid tot afwenteling.

Bovendien is er de complexiteit van de fiscaliteit die voor de belastingplichtige enorme informatiekosten teweeg brengt. Ofwel moeten ze jaren investeren om de materie onder de knie te krijgen of moeten ze stukken van mensen betalen aan belastingconsulenten. De hoge belastingdruk ontmoedigt het ondernemersinitiatief.

En, waarvoor dienen al die fiscale ontvangsten ?

In België wordt via het stelsel van de directe belastingen, de inkomstenbelasting en de sociale zekerheid, een netwerk van sociale uitkeringen uitgebouwd om al wie om de één of andere reden niet kan werken, toch een bestaansminimum te verschaffen.

Dit is een respectabel doel op zich ware het niet dat de staat op die manier een nieuw “klaploperprobleem” schept. Mensen die niet meer willen werken, nestelen zich in de werkloosheid of een aanverwant stelsel. Zij genieten een vast minimuminkomen met veel vrije tijd. Met een beetje zwartwerk hier en daar kunnen zij hun inkomen netjes aanvullen. Op het einde van de maand is hun netto besteedbaar inkomen groter dan hetgeen zij zouden kunnen verdienen in een legaal beroep. Denk maar aan de advocaat-stagiair die in zeer moeilijke omstandigheden moet beginnen. Veel ondernemingen draaien trouwens in de beginjaren met verlies.

Het fiscaal kader en de sociale bestedingen smoren het economisch initiatief. De neiging van de individuele burger in België is groot dat hij voor een parasitair bestaan kiest. Een zelfstandige ondernemer kan bij het naderen van zijn pensioengerechtigde leeftijd zijn beroepswerkzaamheid stopzetten, één en ander inbrengen in een vennootschap, zijn bedrijfsgebouwen verhuren aan deze vennootschap die de vroegere beroepswerkzaamheid verderzet. In zijn hoedanigheid van bedrijfsleider kan hij zich, mits bepaalde plafonds in acht te nemen, nog een bezoldiging uitkeren, zonder dat hij zijn pensioen verliest; terwijl in de schoot van de vennootschap de winsten opgepot worden teneinde een (belastingvrije) meerwaarde op aandelen te realiseren.

Deze beweringen over nieuwe klaplopers en parasieten moeten genuanceerd worden. Hiermee bedoel ik niet dat er geen ondernemers meer zouden zijn, wel dat er thans minder zijn. Ook wordt niet bedoeld dat iedereen profiteert, maar wel dat het profitariaat thans weliger tiert dan ooit en zulks allemaal omdat een paar fiscale incentives verkeerd liggen. Deze wantoestanden moeten aan de uitgavenzijde aangepakt worden teneinde een begin te maken om de globale belastingdruk te verminderen.

VIII. Afschaffing van de inkomstenbelasting en sociale zekerheid

De hiervoren besproken desastreuse economische distorsies kunnen vermeden worden door een complete afschaffing van de inkomstenbelasting en de sociale zekerheid op voorwaarde dat ze vervangen worden door indirecte belastingen op het verbruik.

Economisch gezien kan men de inkomstenbelasting volledig afschaffen door de opbrengsten uit de indirecte belasting te verviervoudigen. Met of zonder directe belastingen blijft de staat evenveel geld nodig hebben.

Voorbeeld :

In België worden de fiscale ontvangsten geraamd op 3.200 miljard fr. Thans bedraagt de opbrengst uit de indirecte belasting ongeveer 11 %; terwijl de globale belastingdruk ongeveer 45 % van het BNP bedraagt. Simplistisch gezegd zou het volstaan om de opbrengst uit indirecte belastingen, van nagenoeg 800 miljard fr. te verviervoudigen.

Wie zich een goed van 240 fr. zou willen aanschaffen, moet de B.T.W. (stel 20 %), ten bedrage van 40 fr., met factor vier vermenigvuldigen en komt dus op 160 fr. De kostprijs van het goed bedraagt nog altijd 200 fr. te vermeerderen met het nieuwe B.T.W.-tarief (80 %), zijnde 160 fr., zodanig dat dit goed kan aangekocht worden voor de prijs van 360 fr.

In dit verband weze nog opgemerkt dat een aanslagvoet in de directe belasting 75 % eigenlijk overeenkomt met een taxatie aan 300 % in een verbruiksbelasting. Stel iemand verdiend 1.000 fr. na taxatie kan hij 250 fr. besteden. Indien een bepaald goed 250 fr. kost int de staat 750 fr. In biede gevallen heeft de betrokkene zijn 1.000 fr. gespendeerd en heeft de staat dezelfde fiscale opbrengst genoten.

Een eerste vaststelling bij de afschaffing van de directe belastingen is dat het probleem van het zwartwerk direct opgelost wordt. Er bestaat geen onderscheid meer tussen legaal en illegaal inkomen. Men betaalt immers geen belastingen meer op het inkomen, maar op de besteding ervan, nl. op het inkomen dat aangewend wordt voor de consumptie.

Hierna worden de pro- en contra’s van een globale verbruiks-belasting op een rijtje gezet.

PRO :

1) Met een globale verbruiksbelasting is er een verbeterde incentive om arbeid te verrichten en te sparen. Het inkomen wordt niet meer wegbelast, men int alle inkomsten van zijn arbeid. Spaargelden zullen ook niet meer belast worden in de roerende voorheffing.

Stel dat de verhoogde spaarquote een verlaging van de intrestvoeten met 1 %, of zelfs maar 0,5 %, zou bewerkstelligen. Een land als België betaalt jaarlijks ongeveer 600 miljard fr. intrestlasten op de overheidsschuld van meer dan 10.000 miljard.

Een geringe verlaging van 0,5 % vertaalt zich al in een verminderde rentelast van 50 miljard fr. op jaarbasis.

2) De inning van een verbruiksbelasting kost ongeveer de helft minder dan de inning van een inkomstenbelasting. Verbruiksbelastingen zijn moeilijker te ontduiken. Indirecte belastingen zijn minder fraudegevoelig. De inning van accijnzen en indirecte belastingen is economisch efficiënt en gaat gepaard met minimale inningskosten. De inning van accijnzen op tabak en alcohol en petroleum verloopt perfect in vergelijking met de inkomstenbelasting. Bv. via de takszegel op de sigaretten, terwijl de inkomstenbelasting een complexe aangifte, controle, inning en invordering teweeg brengt.

Uitgaande van gemiddelden werd becijferd dat de inning van 100 fr. via een directe belasting 1,6 kost ; via een indirecte belasting 0,8. Zo goed als de helft. De 2.250 miljard fr. opbrengsten via directe belastingen innen kost algauw 32 miljard fr. Met een globaal stelsel van indirecte belastingen zou een besparing gerealiseerd worden van 16 miljard fr.

3) Het is zo dat wat nu nog voor het zwart-circuit doorgaat met een globale verbruiksbelasting automatisch integraal “wit” zou worden. Over het zwart-circuit zijn in België geen exacte cijfers bekend. Ramingen lopen uiteen van iets meer dan 10 %, tot meer dan 20 %, of zelfs bijna 30 %, van het B.N.P. Met een B.N.P. van om en bij de 7.000 miljard fr. kan men voorzichtigheidshalve stellen dat er misschien 1.000 miljard fr. in het zwart-circuit rondzweeft.

Het is al te eenvoudig om, rekening houdend met de globale belastingdruk van 45 %, te stellen dat het automatisch witten van het zwart-circuit zal resulteren in een fiscale meeropbrengst van 450 miljard fr. Immers, de huidige zwarte inkomsten kunnen nu ook al in het wit circuit terecht komen wanneer ze aan concumptiegoederen besteed worden. De staat int dus nu reeds de toepasselijke B.T.W. (en andere eventueel verschuldigde indirecte belastingen). Indien de handelaar zijn aangifte correct invult.

Toch zou een supplementaire fiscale ontvangst van meer dan 100 miljard fr. tot de mogelijkheden behoren.

4) Middels een verbruiksbelasting incasseert de staat meer inkomsten in geval van economische groei, zonder dat de belastingplichtige geraakt wordt in zijn netto besteedbaar inkomen. Aangezien arbeid en ondernemingsinitiatief gestimuleerd worden mag een jaarlijkse stijging van minstens 2 % van het B.N.P. realistisch geacht worden (groeicijfers die al in tijden van hoge belastingdruk op arbeid werden gerealiseerd).

Met een B.N.P. van 8.000 miljard fr. betekent een groei van 2 % een fiscale ontvangst van 72 miljard fr. (nl. 45 % van 160 miljard).

Merk op dat er nog altijd rekening gehouden wordt met een marginale aanslagvoet van 45 %. Het is duidelijk dat de staat in de vier aspecten ons rekenkundig voorbeeld – na één jaar -minstens fiscale meer-ontvangst zou kunnen boeken van 238 miljard fr.

Hetzij een stijging van meer dan 7 % in vergelijking met de huidige fiscale ontvangsten (geraamd om 3.200 miljard fr.).

Vanaf dat moment zou de staat de globale belastingdruk al met 7 % kunnen verlagen (dus naar 42 % i.p.v. 45 %), zonder dat de fiscale ontvangsten onder de financiële behoefte van 3.200 miljard fr. hoeven te duiken.

Deze (uiteindelijk beoogde verlaging van de globale belastingdruk) zou de economie nog meer zou aanzwengelen. De effecten daarvan kunnen nauwelijks overschat worden.

5) Een globale verbruiksbelasting is een zeer efficiënt instrument voor de macro-economische politiek. Men kan er het verbruik direct mee beïnvloeden, denk maar aan de energietaksen en aanverwante eco-heffingen.

Contra :

1) Teneinde plotse prijsstijgingen, eventueel verzet daartegen bij de consument en een verstoring van het consumptiepatroon te vermijden moet de afschaffing over een langere periode gespreid worden en gradueel verlopen. Praktisch gezien kan men de inkomstenbelasting afschaffen over een periode van 20 jaar. Gradueel zou men in de eerste 5 jaar ongeveer 1 % meer per jaar uit de verbruiksbelasting moeten halen, terwijl men de inkomstenbelasting in dezelfde verhouding laat dalen. Dit percentage kan oplopen tot 10 % in de laatste 5 jaar.

2) De invoering van de indirecte belasting is dus minder progressief dan aanvankelijk aangenomen en een gebeurlijke sociale onrechtvaardigheid kan ondervangen worden door een stelsel van gedifferentieerde aanslagvoeten voor basisprodukten en levensmiddelen en luxegoederen.

3) De kostprijs van de introductie van de verbruiksbelasting is minimaal, want de meeste landen kennen al een stelsel van indirecte belastingen zodanig dat alleen de aanslagvoeten zullen moeten aangepast worden.

4) De invoering van een algemene verbruiksbelasting stuit ook op een aantal juridische voorwaarden. De invoering van een consumptiebelasting vereist een uniforme wetgeving in de buurlanden. Het fiscaal toerisme zou immers al te aantrekkelijk zijn. In de Europese Gemeenschap is de BTW wel geharmoniseerd zodanig dat België hier niet uit eigen hoofde dergelijke ingrijpende veranderingen zal kunnen doorvoeren. In het kader van de vrije wereldhandel onder auspiciën van de GATT zullen harmoniserende maatregelen moeten genomen worden.

IX. Besluit

Hoewel de invoering van een verbruiksbelasting ongeveer 238 miljard fr. per jaar in de staatskas kan brengen voor een land als België (zoals geraamd onder de pro’s), is de invoering ervan niet voor morgen. Gelet op de immense financiële behoeften van de overheid en de internationale verstrengeling is de kans klein dat één land cavalier seul zou spelen bij de invoering van één globale consumptiebelasting.

Bibliografie

– ANDREWS, W.D.A., “Consumption-Type or Cash Flow Personal Income Tax”,  Harvard Law Review, 1974, 1113-1188;

– ID, “A supplemental Personal Expenditure Tax”, in What Should Be Taxed : Income or Expenditure ?, PECHMAN J.A. (ed), Washington, 1980, 121-151;

– BAYAR, A., “De bestedingen belastingen in plaats van het inkomen?”, in Algemeen Fiscaal Tijdschrift, 1986, 195-200;

– BORGERS, J., “De progressieve bestedingsbelasting”, in Documentatieblad Ministerie van Financiën, 1991, 15-115;

– BRADFORD, D.A., “The Choice Between Income and Consumption Tax Bases”, in Documentatieblad Ministerie van Financiën, 1982, 137-160;

– CNOSSENS, S., “De belasting van de toekomst”, Deventer, 1978;

– FELDSTEIN, M., “The Welfare Cost of Capital Income Taxation”, in Journal of Political Economy, 1978, 529-551;

– FRANK, M., “Un impot progressif sur les dépenses de consommation, alternative à l’impôt sut le revenu des personnes physiques”, in Documentatieblad Ministerie van Financiën, 1982, 161-187;

– FULLERTON, D., SHOVEN, J.D., WHALLEY, J., “Replacing the US Income Tax with a Progessive Consumption Tax. A Sequenced Genaral Equilibrium Approach”, in Journal of Public Economy, 1983, 3-23;

– GERARD, M., “Een zuiver systeem of een realistisch alternatief? Progressieve belasting op de bestedingen”, in Algemeen Fiscaal Tijdschrift, 1986, 179-185;

– GOODE, R., “Taxing of Savings and Consumption in Underdeveloped Countries”, in National Tax Journal, 1961, 305-321;

– GREATZ, M.J., “Expenditure Tax Design”, in What Should Be Taxed: Income or Expenditure ?, PECHMAN J.A. (ed), Washington, 1980, 161-276;

– KALDOR, N., “An Expenditure Tax”, Londen, 1955;

– LODIN, S., “Income and Expenditure Taxes in Practice”, in Comparative Tax Studies, Essays in Honor of Richard Goode, CNOSSENS, S. (ed.), Amsterdam, 1983, 109-138;

– MAKIN, J.H., “Income Tax Reform and the Consumption Tax”, in The Consumption Tax, A Better Alternative?, WALKER, C.E., BLOOMFIELD, M.A. (eds.), Cambridge (Massachusetts), 1987, 87-115;

– MOESEN, M., VAN ROMPUY, V., “Handboek Openbare Financiën”, Leuven/Amersfoort, 1991, 105-197;

– PREST, A.R., “The Meade Committee Report”, in British Tax Review, 1978, 176-193;

– SCHOLSEM, J. Cl., “Retour aux impôts cédulaires sur les revenus ou orientation vers l’impôt sur la dépense?”, in Documentatieblad Ministerie van Financiën, 1984, 27-45;

– TIBERGHIEN, A., “Abolish Income Tax. Pleading for Replacement by Consumption Tax”, Brussel, 1991;

– TIXIER, G., “L’application de l’impôt sur les dépenses de Kaldor dans les pays en voie de développement”, in Revue de Science Financière, 1968, 5-19;

– TULKENS, H., “Discussion des rapports Bradfort et Frank”, in Documentatieblad Ministerie van Financiën, 1982, 189-198;

– VAELL, M.R., “The Expenditure Tax and Progessivity”, (CSIER Working Paper, 8319), Toronto, 1983;

– VUCHELEN, J., “De Staatsschuld”, Leuven, 1993

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *